Consultant forensisch onderzoek FIC
Consultant forensisch onderzoek
GERECHTELIJKE DESKUNDIGEN
FORENSISCHE ANALISTEN
|
|
Om forensische vergelijkings- en identificatieonderzoeken als wetenschappelijk betrouwbaar, toelaatbaar en aanvaardbaar te erkennen, moeten zij worden uitgevoerd met wetenschappelijke methoden die steeds dezelfde resultaten opleveren.
De tegenwoordig gevolgde procedures en hun wetenschappelijke onderbouwing zijn uiterst belangrijk voor de bijdrage van het bewijsmateriaal aan de vorming van een rechterlijk oordeel en voor de belangrijke rol van dat bewijsmateriaal in de beslissing van een rechter.
Forensische onderzoekers staan internationaal onder druk doordat van hen wordt verlangd objectievere identificaties te verrichten.
Recht en wetenschap convergeerden in 1997 voor het eerst rond het deskundigenbewijs. Volgens een werkgroep van ENFSI (European Network of Forensic Science Institutes) werden op 31 augustus 2004 wetenschappelijke identificatiecriteria voor de forensische wetenschappen vastgesteld.
Op 20 september 2016 publiceerde de President’s Council of Advisors on Science and Technology (PCAST), een adviesgroep van vooraanstaande wetenschappers, het rapport Forensic Science in Criminal Courts: Ensuring Scientific Validity of Feature-Comparison Methods („Forensische wetenschap in strafrechtbanken: waarborging van de wetenschappelijke validiteit van methoden voor kenmerkvergelijking“). Daarin werden maatregelen aanbevolen om een valide en wetenschappelijk onderbouwd gebruik van de forensische wetenschap in rechtszalen te bevorderen.
Idealiter zou elk laboratoriumonderzoek de werkelijkheid moeten weergeven: als er een probleem is, moet het dat vaststellen en positief uitvallen; wanneer alles in orde is, moet het negatief uitvallen. In de praktijk bestaat zo’n volmaakt laboratoriumonderzoek echter niet.
Elke laboratoriummethode bevat een foutpercentage. De methodefout wordt willekeurig genoemd wanneer zij voortkomt uit statistische variatie, en systematisch wanneer de methode zelf om verschillende redenen de gemeten grootheid niet exact kan bepalen.
Bij de interpretatie van de resultaten kunnen daarom twee soorten foutieve uitkomsten ontstaan:
Om laboratoriumanalyses onderling te vergelijken en te bepalen welke de betrouwbaarste resultaten geeft, worden de begrippen sensitiviteit (sensitivity) en specificiteit (specificity) gebruikt.
De sensitiviteit van een laboratoriumonderzoek betreft het vermogen om werkelijk positieve resultaten correct te herkennen. Een onderzoek met hoge sensitiviteit levert daarom zo weinig mogelijk fout-negatieve resultaten op. Specificiteit betreft daarentegen het vermogen om werkelijk negatieve resultaten correct te herkennen. Een onderzoek met hoge specificiteit levert daarom zo weinig mogelijk fout-positieve resultaten op.
De nauwkeurigheid (accuracy) van een laboratoriumonderzoek houdt verband met de vraag of het een hoge sensitiviteit en een hoge specificiteit combineert. In de praktijk veranderen deze twee grootheden echter vaak omgekeerd evenredig.
Onderzoeken met een hoge sensitiviteit kunnen een lagere specificiteit hebben en omgekeerd. Afhankelijk van de zaak moet de deskundige het juiste evenwicht tussen sensitiviteit en specificiteit kiezen.
Stel bijvoorbeeld dat de sporen uit een zaak worden vergeleken met het bestand van onopgeloste zaken. Het is duidelijk dat een test met hoge sensitiviteit moet worden gebruikt om alle mogelijke overeenkomsten te vinden.
Sommige sporen zullen ten onrechte als overeenkomend worden aangemerkt, maar in dit stadium is dat niet van belang, omdat het primaire doel is geen onopgeloste zaak te missen.
Wanneer later wordt besloten het positieve resultaat aan de opdrachtgevende autoriteiten mee te delen, moet de controle worden herhaald met een tweede onderzoek met hoge specificiteit om de mogelijkheid van een fout-positief resultaat tot een minimum te beperken. Voorkomen dat een onschuldige onnodig wordt belast, is even belangrijk als het verwezenlijken van gerechtigheid.
De kwantitatieve schatting van sensitiviteit en specificiteit gebeurt met de volgende vierveldentabel:
| Identificatie | Geen identificatie | |
|---|---|---|
| Negatieve test | γ | δ |
Derhalve:
De sensitiviteit wordt berekend met de verhouding α / (α+γ) en doorgaans als percentage uitgedrukt.
De specificiteit wordt berekend met de verhouding δ / (β+δ) en doorgaans als percentage uitgedrukt.

Om deze kwesties aan te pakken zijn naast de traditionele microscopische identificaties methoden ontwikkeld die berusten op gespecialiseerde wiskundige criteria en patroonherkenning. Naast de traditionele vergelijkende beoordeling omvatten zij een wetenschappelijke methodologie met een meetbare procedure — Quantitative Consecutive Matching Striae (QCMS), oftewel de kwantitatieve beoordeling van opeenvolgend overeenkomende striaties (CMS). Deze meetbare procedure biedt een hoger niveau van zekerheid en toont voor de rechter de betrouwbaarheid van de onderzoeker en diens conclusies aan.
Zoals hierboven vermeld, luiden de kwantitatieve identificatiecriteria die Biasotti en Murdock in 1997 bij AFTE hebben ingediend als volgt:
Voor driedimensionale werktuigsporen, wanneer ten minste:
Voor tweedimensionale werktuigsporen, wanneer ten minste:
Concluderend is, omdat zelfs de toepassing van deze criteria subjectiviteit bij het tellen bevat, verder onderzoek verricht naar geautomatiseerde wiskundige vergelijking.
![]() | ![]() | ![]() |